“deen midzomernacht in vielsalm en zijn cotticule museum in de stijl van Marten Toonder”

Een deern midzomernacht in Vielsalm, daar aan de rand,  
Waar Ardense bossen fluisteren hun eeuwenoude stand,  
Glooit mist als satijnen sluiers langs het kasteel en beek,  
En dromen daalt in vennen, waar de maan zich in ontsteek.

Daar sluipen kaboulés, zo guitig in hun feëristiek bestaan,  
Hun mantelsporen stippend onder spar en varenvaan;  
De tijd verschert er traag en eigenzinnig door het land—  
In Vielsalm, waar het oude sprookje nimmer sterven kan.

Nu speelt de cotticule haar wonderlijke part,  
Een reusachtig huis voor het fabelachtige hart:  
Van kwast tot kist, van fabeldier tot raadselstuk—  
Elk voorwerp broedt op verhalen, elk stofje is geluk.

In glazen buiken wonen minuscule dromen stil,  
Met punthoedige poppen en de lach van een grill.  
Een pluim op de hoed van een klos van herinnering:  
Elk plekje cotticule brengt een nieuwe verwondering.

Zo glijdt de midzomernacht voorbij, zonder haast of spijt;  
Met zacht geritsel in de bomen en een sterrenpracht zo wijd.  
Wie weet, misschien ontwaar je zelfs een heer Bommel in het gras,  
Die, licht verwonderd, prevelt: “Je verwacht zoiets toch niet als je naar Vielsalm gaat.”
Share:

Create Your Own Poem | Recent Poems